Monniksgier



Uiterlijk


De monniksgier heeft een donker verenkleed. Het lijkt op afstand zwart. De kraag van een volwassen gier is grijzig. Van een juveniel is het zwart.Poten zijn bleekgrijs, maar van een afstand lijken ze wit. De nagels zijn zwart. Met een lengte van 99 tot 107 cm kan de monniksgier 7 tot 12,5 kilo worden. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje.
Monniksgier
Monniksgier

De monniksgier heeft net als de vale gier brede, "gevingerde" vleugels. De vleugels kunnen een spanwijdte hebben van 250 tot 295 cm. De staart is vrij lang en wigvormig.

Leefgebied en voedsel


De monniksgier komt voor in Spanje, Majorca, Sardinië, Sicilië, Balkan eilanden tot Centraal-Azië, India en China. Ook is hij 3 keer gisignaleerd in Nederland sinds 1800. Dit was in 2005 in de Oostvaardersplassen in Flevoland. De monniksgier heeft voorkeur voor beboste afgelegen berggebieden met veel wilde dieren.
Monniksgier
Monniksgier



De monniksgier voedt zich vrijwel uitsluitend met karkassen van zoogdieren: herten, paarden, konijnen, honden, vossen en schapen. De relatief sterke snavel maakt het mogelijk huid open te scheuren en spieren, pezen en huid zelf te eten.

Voortplanting


De monniksgier leeft minder in groepen dan de vale gier en duldt tijdens het kroppen geen soortgenoten.Ze broeden normaal in groep in bomen, vooral eiken, in bergachtige gebieden tussen 300 en 1400 m hoog. De broedtijd is Maart - April en ze krijgen 1 ei per keer. Het ei word uitgebroed in 52 tot 55 dagen.
Monniksgier